doepa

doepa

Dutch

Etymology

Borrowed from Malay dupa.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˈdu.paː/
  • Hyphenation: doe‧pa

Noun

doepa c (uncountable, no diminutive)

  1. (Indonesia) synonym of wierook (incense)
    • 1868, J.S.G. Gramberg, Madjapahit: historisch-romantisch tafereel uit de geschiedenis van Java [Majapahit: a historical-romantic tableau from the history of Java.]‎[1], The Hague/Leiden/Arnhem: M. Nijhoff/A.W. Sijthoff/D.A. Thieme, pages 100-101:
      Wanneer uit den ruwen trachietsteen onder de bekwame hand haars echtgenoots langzamerhand zulk een fraai Boeddhahoofd te voorschijn kwam, met die liefelijk zachte trekken, zoo geheel anders dan de type van haar eigen gelaat, dan was het voor Dalima of er inderdaad eene godheid uit dien dorren steen was voortgesproten. Maar was dit dan ook niet het geval? Werd het beeld niet in den prachtigen tempel in eene nis geplaatst; werd er geen doepa voor gebrand en bloemen aan geofferd; werd het werkstuk van haar echtgenoot ook niet op een kussen van heilige lotusbladeren verheven?
      When, under her husband’s skilled hands, such a beautiful Buddha's head gradually emerged from the rough trachyte stone, with those lovely, gentle features so entirely different from the features of her own face, it seemed to Dalima as though a deity had indeed sprung forth from that barren stone. For was this not indeed the case? Had the statue not been placed in a niche within the magnificent temple; had incense not been burnt before it and flowers offered to it; had her husband’s work not been raised upon a cushion of sacred lotus leaves, too?