activeerbaar

activeerbaar

Dutch

Etymology

From activeren (to activate) +‎ -baar.

Pronunciation

  • IPA(key): /ˌɑk.tiˈveːr.baːr/
  • Hyphenation: ac‧ti‧veer‧baar

Adjective

activeerbaar (comparative activeerbaarder, superlative activeerbaarst)

  1. activatable

Inflection

Declension of activeerbaar
uninflected activeerbaar
inflected activeerbare
comparative activeerbaarder
positive comparative superlative
predicative/adverbial activeerbaar activeerbaarder het activeerbaarst
het activeerbaarste
indefinite m./f. sing. activeerbare activeerbaardere activeerbaarste
n. sing. activeerbaar activeerbaarder activeerbaarste
plural activeerbare activeerbaardere activeerbaarste
definite activeerbare activeerbaardere activeerbaarste
partitive activeerbaars activeerbaarders